Home | kalender
 
Sint-Hermes

Erfgoed

Orgel Beiaard

Orgel
- Collonorgel
- Schyvenorgel
   
Beiaard
- Beiaardnieuws
- Beiaard en toren

- Delmotte Ephrem
- Van Malcot Ludo
- Wybraeke Dominique

Toren
- Torenmuseum

HET PIERRE SCHYVENORGEL VAN DE
SINT-HERMESKERK TE RONSE:
1896-2006


door DOMINIQUE WYBRAEKE

1. De kentering in de orgelwereld van de 19e eeuw

image 1562Na de bloeiende 17e en 18e eeuw -met als hoogtepunt het oeuvre van Johann Sebastian BACH (1685-1750)- kent de orgelkunst in de eerste helft van de 19e eeuw een periode van ware inzinking. De Duitse componist en organist Felix MENDELSSOHN-BARTHOLDY (1809-1847) is de eerste die herleving brengt door de heruitvoering van de Bachcomposities. Naar dit voorbeeld levert ook de Vlaamse componist en organist Jaak Nikolaas LEMMENS (1823-1881) een grote bijdrage door de stichting van het “Lemmensinstituut”, aanvankelijk te Mechelen. Eén van zijn leerlingen brengt de tendens tot herwaardering van het orgel in een stroomversnelling: de Fransman Charles-Marie WIDOR (1845-1937). Hij componeert orkestrale werken voor een orgel dat, naar hij zegt, “essentiëllement symphonique” moet klinken. Daarom krijgen zijn 10 grootste orgelcomposities ook de naam “symphonie” mee. De orgelbouwer die aan zijn verwachtingen beantwoordt, is de Parijzenaar Aristide Cavaillé-Coll. Het klankbeeld van dit nieuwe type orgel gaat sterk verschillen van het totdantoe gekende barokorgel: omdat men de klanken van een symfonisch orkest wil oproepen, gaat men instrumenten nabootsen en doen registers als Basson-Hautbois, Voix Humaine, Clarinette, Trompette harmonique, Clairon... hun intrede. Ook gaat het orgel meer “fond” krijgen, door talrijke zogenaamde grondstemmen (labiale 8-voeten) die onder hoge winddruk staan en daardoor het klankbeeld aandikken.

Talrijk, uiterst vermaard en degelijk zijn de orgels van Cavaillé-Coll, o.a. in de Sint-Niklaaskerk te Gent. Rond 1870 begint ook in België een bouwer te werken volgens de concepten van Cavaillé-Coll: Pierre Schyven uit Elsene-Brussel. Toen op het eind van de 19e eeuw in de Antwerpse OLVrouwkathedraal een nieuw orgel moest worden gebouwd, sleept Schyven de opdracht in de wacht en niet Cavaillé-Coll. In 1891 werd het instrument voltooid, duidelijk in de geest van Cavaillé-Coll. Het is deze bewuste Schyven die in 1895 door de kerkfabriek Sint-Hermes van Ronse aangezocht wordt om een orgel te bouwen, totaal volgens de principes van het nieuwe “romantische” orgel.

2. Wie is Pierre Schyven?

Pierre Schyven wordt geboren te Brussel op 22 december 1827.image 1557
In 1843 treedt hij in dienst van de orgelfirma Merklin-Schütze te Brussel. Deze firma, waarvan beide firmanten Joseph Merklin (1819-1905) en Friedrich Schütze ( 1808-?) van Duitse origine zijn, speelt ook een zekere rol bij de vernieuwing van de Belgische orgelbouw. Zij wordt hierin sterk gesteund door de invloedrijke Brusselse conservatoriumdirecteur François Fétis (1784-1871). In 1855 neemt de firma Merklin-Schütze de Parijse firma Ducroquet over (de bouwer van het kathedraalorgel van Doornik), en wordt daarmee een geducht concurrent voor Cavaillé-Coll. Vanaf dat jaar beschikt de firma over twee ateliers: een te Parijs en een te Brussel met Pierre Schyven als “contremaître”. Schyven speelt al vroeg een belangrijke rol in de firma. Zo leidt hij ondermeer de opbouw en plaatsing van het prestigieuze orgel in Murcia, Zuid-Spanje (64 registers, verdeeld over 4 klavieren en pedaal, ingewijd in 1857). De instrumenten van het Brusselse atelier kunnen grotendeels als zijn werk worden beschouwd. Toen hij dit atelier tenslotte in 1870 samen met Armand en Jacques Verreyt onder de naam “Pierre Schyven & Cie” van Merklin-Schütze overnam, was hij al een aantal jaren de belangrijkste vennoot. Opbouw en karakter van de instrumenten veranderen dan ook weinig na 1870. Late (Brusselse) Merklinorgels en vroege instrumenten van Schyven zijn niet of nauwelijks van elkaar te onderscheiden. In grote lijnen hangt hij dezelfde orgelbouwprincipes aan als Cavaillé-Coll. Er zijn toch ook duidelijke verschillen. Zo zijn bijvoorbeeld overblazende fluiten bij Schyven minder belangrijk dan bij zijn grote Franse collega. De prestantregisters zijn ronder van toon en zijn strijkers (Salicional, Voix Céleste, Gambe, Unda Maris, Voix Angélique...) zachter en dunner van klank. Zijn tutti-klank is donkerder en minder fel dan bij Cavaillé-Coll. We moeten Schyven dan ook niet zien als een Cavaillé-Coll-epigoon, maar als iemand met een onmiskenbaar eigen stijl, een stijl die de firma Merklin-Schütze ontwikkelde en waar hij -vooral in latere jaren- een duidelijk aandeel in heeft gehad. Naar het schijnt had Cavaillé-Coll een groot respect voor Schyven.
Vanaf de ‘80-er jaren waagt hij zich aan wat wij nu eerder dubieuze experimenten zouden noemen. In 1883 neemt hij een patent op een “ontdubbelingssysteem”, waarbij uit één rij pijpen verschillende registers worden afgeleid. Al werkt dit systeem plaats- en kostenbesparend, het komt de klankopbouw en de stembaarheid niet ten goede.
Een op termijn eveneens weinig gelukkig gebleken ontwikkeling is het toepassen van de buizenpneumatiek vanaf de jaren ‘90. De harde aanslag van het mechanische orgel wil hij op die manier omzeilen. Desondanks blijven ook latere instrumenten steeds van een degelijk makelei.
Schyven heeft zeer veel orgels afgeleverd in binnen- en buitenland. Naast het Antwerpse kathedraalorgel is het orgel van de OLVrouwkerk te Laken een van de belangrijkste getuigen van zijn kunnen. Verder vernoemen we het orgel van de Sint-Maartenskerk te Kortrijk, van de Petrus- en Pauluskerk te Oostende, de Pamelekerk te Oudenaarde, de Hospitaalkapel te Ronse, de Sint-Hermeskerk te Ronse, de Sint-Bonifaaskerk te Elsene (thuisparochie van Schyven) en honderden anderen. Ook in het buitenland was hij actief: Frankrijk (50 orgels), Nederland (8), Amerika (6), Engeland (4), Spanje (2) en Australië (1). Het kathedraalorgel van San-José op Costa Rica is eveneens van zijn land.

Pierre Schyven trekt zich in 1905 terug uit het bedrijf. Zijn zoon François (1856-1927), die reeds sinds 1878 medefirmant was, zet de zaak verder tot aan de Eerste Wereldoorlog. Nieuwe orgels bouwt hij echter niet meer.

Pierre Schyven overlijdt op 6 juni 1916 in Elsene, waar hij bijna 90 jaar eerder werd geboren.

3. Plannen voor een nieuw orgel op Sint-Hermes

Wanneer te Ronse in 1895 juffrouw Sidonia Robette overlijdt, begoede tante van toemalig schepen Jean Cambier-Magherman, schenkt zij bij testament een som geld aan de kerkfabriek Sint-Hermes, om de kosten te dragen aangaande de bouw van een nieuw orgel. Wellicht omdat de leden van de kerkfabriek leken waren in het vak en omdat organist Norbert Merry image 1559
op dat ogenblik een nog weinig ervaren 20-er was, wordt besloten August De Sutter te raadplegen. Tot in 1894 was De Sutter organist geweest van Sint-Hermes en directeur van de Ronsese muziekacademie. ( Hij is de grootvader van de latere priester-componist en pedagoog Ignace De Sutter). Vanaf 1894 is August De Sutter echter werkzaam als organist-kapelmeester op het Heilig Kerst te Gent en als directeur van het Oudenaards conservatorium. Vermoedelijk is het deze ervaren organist die er bij de kerkraad heeft op aangedrongen om de gerenommeerde firma Schyven het nieuwe instrument te laten bouwen, ondanks het feit dat er ook te Ronse op dat ogenblik een orgelbouwer actief is: François Joris uit de J.B. Dekeyserstraat. Tot in 1889 is bewuste Joris in dienst geweest van de grootste orgelfirma van die tijd: de firma Charles Anneessens te Geraardsbergen. Wanneer in 1889 het gigantische atelier te Geraardsbergen uitbrandt, verhuist Anneessens definitief naar Menen, waar hij al een bijhuis had. Eén van zijn werknemers, Oscar Reygaert, zet -zij het kleinschaliger- een nieuw atelier op te Geraardsbergen, terwijl de van Zichem afkomstige Joris zich te Ronse gaat vestigen. In de orgelbouwwereld staat hij jammer genoeg tot op vandaag aangeschreven als een laagvlieger. Ook De Sutter moet zijn twijfels hebben gehad omtrent het vakmanschap van Joris.

De uiteindelijke dispositie van het nieuw Sint-Hermesorgel wordt door De Sutter samengesteld aan de hand van twee Schyvenorgels die hem inspireren: dat van de Kapellekerk en de Zavelkerk te Brussel (thans vervangen door een neobarok Westenfelderorgel). In het dekenijarchief vinden we nog de briefwisseling van Schyven naar De Sutter:

18 mei 1895:
“Mon cher Monsieur De Sutter;
... Puisque vous désirez avoir la différance de l’orgue du Sablon avec celui de la chapelle, nous vous la donnons également par la présente. 1° Au Grand Orgue il y a une Montre 16. 2° Au récit il y a un Bourdon 8 et une Fourniture 3-rangs.....ces trois jeux apporteront de leur coté une nouvelle richesse de timbres et de combinaisons”.

Op 20 mei 1895 schrijft Schyven opnieuw, omdat de eerste brief verloren zou zijn gegaan:
“Cher monsieur et ami;
Comment ce fait-il que vous n’avez pas reçu ma lettre partie samedi?.....l’orgue des sablons comprenait en plus 3 jeux: Montre 16 au grand-orgue et Bourdon 8 et Fourniture 3 rangs au récit et que ces troix jeux couteraient deux mille cinq cents francs en plus, c.a.d. 22 500 fr. pour tout l’orgue placé et inauguré à Renaix. Nous sommes donc bien d’accord! Les plans et devis ont été envoyés samedi, y compris ma lettre. Un petit mot s.v.p. et mes meilleurs sentiments.
Pierre Schyven et Cie

August De Sutter zal het “woordje ten beste” waarover Schyven schrijft zeker gedaan hebben bij de kerkfabriek, want in de uiteindelijke dispositie (de registerbeschikking van het instrument) zijn de drie extra-spelen opgenomen en komt de totaalprijs voor het orgel inderdaad op 22 550 fr.


DISPOSITIE VAN HET ORGEL (in 1896)


Hoofdwerk:

Montre 16’-Bourdon 16’-Montre 8’-Flute harmonique 8’-Gambe 8’-
Bourdon 8’-Prestant 4’-Fourniture 3-rangs-Trompette 8’-Clairon 4’

Zwelwerk:

Flute harmonique 8'-Bourdon 8'-Salicional 8'-Voix céleste 8'-Flute octaviante 4'-Doublette 2'-Fourniture 3-rangs-Trompette harmonique 8'-Basson-hautbois 8'-Voix humaine 8'

Pedaal:

Contrebasse 16' ( toegevoegd in 1912)-Sousbasse 16'-Octave basse 8'-Basse 8'-Flute 4'-Bombarde 16'-Trompette 8'

Vaste combinaties: P-MF-F-T

Koppelingen: P+I, P+II, I+II, I+II4, I+II16, I+I16, II+II16.
De superoctaafkoppelingen zijn volledig uitgebouwd.

Tremolo

Generale crescendotrede



Schyven past hier zijn gebrevetteerd ontdubbelingssysteem (cfr. Supra) niet toe: alle registers zijn reëel uitgebouwd. Alleen in het pedaal treffen we drie extenties aan:

Sousbasse 16’ - Basse 8’
Octave 8’ - Flute 4’
Bombarde 16’ - Trompette 8’

4. Oplevering en inspeling van het romantisch-symfoninsche Schyvenorgel

image 1561Op Woensdag 6 mei 1896 wordt het nieuwe Sint-Hermesorgel opgeleverd en ingespeeld. Octaaf Devaere, organist van Sint-Maarten te Kortrijk waar enige jaren eerder een veel ruimer Schyvenorgel in gebruik was genomen, speelt samen met Norbert Merry, de jonge organist van Sint-Hermes, het plechtig inwijdingsconcert. Het orgel is een tweemanualig instrument geworden met zelfstandig pedaal, met een dispositie van 26 registers (verschillende spelen). De tractuur, dit is het apparaat dat het orgel aan de praat brengt, is pneumatisch, teneinde, zoals hoger vermeld, een té zware toetsaanslag te vermijden. Vanaf ca. 1890 past Schyven dit procédé toe in zijn nieuwe instrumenten, in vervanging van de aloude mechanische tractuur. Het Antwerpse kathedraalorgel van 1891 is hierop een uitzondering: wellicht op aandringen van de orgelcommissie aldaar heeft men Schyven kunnen overhalen het reusachtige instrument toch mechanisch te maken.

“L’echo de Renaix” van Zondag 10 mei 1896 bericht als volgt de inwijdingsplechtigheid:

“Mercredi après midi, ont été inaugurées, devant un public nombreux venu tant de l’étranger que de la ville, les nouvelles orgues de l’église St. Hermès, sorties des ateliers de la maison Pierre Schyven et Cie de Bruxelles. On sait que l’église en est redevable à la générosité d’un des notables de plus en vue de notre ville.

Après la cérémonie religieuze, deux artistes de talent ont bien voulu mettre en valeur à nos yeux cet instrument de tout premier ordre: M. Merry, le jeune organiste de la paroisse, fils de ses oeuvres, artiste formé au prix d’un travail personnel, opiniâtre et conscientieux, a parfaitement exécuté deux morceaux d’une réelle difficulté. M. Devaere, l’excellent organiste de St. Martin à Courtrai, artiste consommé, familier avec les ressources des grandes orgues, nous en a fait valoir la variété et le charme, dans plusieurs oeuvres de grande envergure.

Pour nous faire apprécier l’instrument comme instrument d’accompagnement, MM. Julien Merry, Frédéric Oushoorn et Valère Carpentier ont chanté des motets bien choisis, avec toute la perfection que nous étions en droit d’attendre d’eux.

L’éloge de la maison Schyven et Cie n’est plus à faire: sa renommée s’étend dans le monde entier. On sait que, par les perfectionnements importants qu’elle a apportés dans le mécanisme, elle a donné à ses claviers, même pédaliers, une extrême sensibilité de toucher, et à l’émission des sons une constantanéité remarquable; ses souffleries dispensent l’air uniformémént et sans secousses. Nous avons pu constater, par l’audition de mercredi dernier, que les orgues, qu’elle a construites pour l’église de St. Hermès, sont parfaites, sous le rapport, à la fois, de la puissance des fonds, de l’homogénéité du son des différents registres et de la variété des ressources qu’elles présentent...”

In “La Gazette de Renaix” van Zondag 10 mei 1896 lezen we een vrij gedetailleerde beschrijving van de inspeling, maar zeker ook van het instrument zelf. Voor orgelkenners is dit een interessante bladzijde, daarom geven we het artikel ook integraal weer. (Dit bericht vinden we eveneens terug in het register “Rekwesten en adviezen vanaf 1846” van de kerkfabriek):

“Mercredi passé (6 mai) à 3 h. de relevée, avait lieu l’inauguration du nouvel orgue, placé à l’église de St. Hermès par la maison Pierre Schyven et Cie de Bruxelles. Dès avant l’heure, un auditoire nombreux avait pris place à l’église pour assister à l’exécution des douze morceaux du programme. Beaucoup d’organistes réputés étaient présents. Parmi ceux-ci, nous remarquons M. Auguste De Sutter, maître de chapelle à Gand et directeur du conservatoire d’Audenarde, M.M. les frères De Hovre, organistes de l’église décanale de Lokeren et de l’église St. Martin en ville, M. Van Rechem, maître de chapelle à St. Walburga à Audenarde et beaucoup d’autres dont le nom nous échappe. Remarqués au poste d’honneur M.M. le Doyen, le curé de St. Martin et tous les membres du clergé, M. Le Bourgmestre O. Ponette, M. Jean Cambier échevin, M. Ed. Cambier président du conseil de fabrique et quantité d’autres personnes de marque.
... L’orgue sort de la maison Schyven et Cie de Bruxelles. La réputation de cette maison n’est plus à faire. Elle est la meilleure de la Belgique et peut rivaliser avec les maîtres les plus renommés de l’étranger. Nous ne ferons pas la déscription technique du nouvel orgue de St. Hermès: trop peu de lecteurs y trouveraient de l’intérêt. Jetons cependant un simple coup-d’oeil sur l’ensemble. Immédiatement on trouve la main de l’artiste constructeur. Quel ordre jusque dans les moindres détails! Combien chaque pièce est bien disposée et finie! Les matériaux aussi dont M. Schyven s’est servi défient toute critique. La soufflerie, cette partie si importante d’un orgue, est un vrai modèle de perfectionnement. Elle donne un vent abondant et régulier. Les sommiers, l’âme de l’instrument, sont gravés avec des soins spéciaux; le bois est en chêne d’Amérique qui a plus de quinze ans de repos. Les tuyaux aussi sont en matière de premier choix, ont le pied fermé, bien assis, donnant toute garantie de solidité, et par conséquent de durée. La première qualité d’un orgue, la solidité, provenant de l’emploi de matières de choix et d’un travail minutieux, est supérieurement acquise. Quant à la seconde qualité, la sonorité, nous devons dire que M. Schyven l’a atteinte à la perfection. Les jeux de fond ont de l’empleur, du moelleux, de la profondeur et produisent dans leur ensemble une fusion admirablement puissante.
Les jeux d’anches ont de la vigueur, du brillant et de l’éclat, sans cependant écraser les fonds. En un mot: le nouvel orgue de St. Hermes sera aussi bon qu’il est beau. Nous devons ajouter que l’orgue est construit d’apres le nouveau et dernier système, appelé système à l’air comprimé ou tubulaire. Cette manière de travailler a déja fait ces preuves. Les inventeurs, M.M. Fernis, l’ont appliqué depuis quinze ans. M. Schyven, dont le nom restera dans la facture d’orgues modernes, l’a beaucoup perfectionné par ses nombreuses inventions... Un mot encore de la séance d’inauguration. Les douze numéros du programme ont été exécutés en grande partie par M. Octave Devaere, organiste du grand orgue de St. Martin à Courtrai. On a loué hautement les talents supérieurs du jeune artiste, notamment dans l’exécution de l’ Andante, morceau de sa propre composition. L’ Adagio de Guilmant a été consciencieusement rendu par M. Norbert Merry, organiste titulaire de St. Hermes. Que dire de la Marche Séraphique, de l’Ave Maria et du chant de Soir de Schumann? Dans ces morceaux surtout, M. Devaere a fait valoir toutes les qualités de l’instrument, en étalant l’étonnante variété des jeux simples et combinés. Nos artistes chantres, M.M. Valère Carpentier, J. Merry et F. Oushoorn, dans les morceaux choisis qu’ils ont chantés: Beata Mater, Ave Verum, O Salutaris, ont montré comment leurs belles voix s’accordent avec l’accompagnement harmonieux du nouvel orgue. Pour terminer, nous adressons ici nos plus chaleureux remerciments à M. L’Echevin Jean Cambier-Magherman, qui au nom de sa vénérable tante défunte Melle S. Robette et pour satisfaire aux inspirations de son propre coeur si généreux, a doté la belle collégiale de St. Hermès, d’un instrument digne d’elle. Puisse le nouvel orgue servir toujours à rehausser dignement les cérémonies du culte, à exciter les fidèles à la dévotion et à rendre gloire et honneur à Dieu seul: Soli Deo honor et gloria!

Par les soins de l’administration fabricienne une plaque commémorative portant l’inscription suivante a été placée sur le buffet du nouvel orgue:


SIDONIA ROBETTE
F.C.
Anno Domini MDCCCXCVI
Pro quà precamini (bord verdwenen)

Belangrijk is te vermelden dat het nieuwe orgel gebouwd werd achter het reeds bestaande front: de neoclassicistische orgelkast van W. Hambloch (dd. 1823. Cfr. Supra artikel Dhr. Albert Cambier.). Verschilpunt met de huidige tweedelige toestand is dat de kasten oorspronkelijk met mekaar verbonden waren door een lager middenstuk, in dezelfde stijl (zie plan van architect Henri Geirnaert, verder in dit artikel). De opsplitsing kwam er in 1912 (cfr. Infra). Anders dan men wellicht zou denken, is niet één van de frontpijpen sprekend. Dit is een groot verschilpunt met het 17e en 18e eeuwse orgel. In die tijd immers maakte het front nog een functioneel onderdeel van het instrument uit. Het was een deel van de orgelkas, het omsluitende meubel, waarvan het geraamte tevens als ophanging van het binnenwerk diende. In de tweede helft van de 19e eeuw echter ontwikkelt het front zich meer en meer tot een louter decoratieve façade, waarachter het binnenwerk op een zelfstandige balkenconstructie (stellage) open opgesteld wordt. In dit opzet zijn sprekende pijpen vaak weinig praktisch, daar de opbouw van het binnenwerk lang niet altijd correspondeert met die van het front.

5. Verder onderhoud

In artikel 11 van het contract tussen Schyven en de kerkfabriek St.-Hermes lezen we dat Schyven gedurende de eerste vijf jaar na de bouw van het orgel garantie geeft op de goede werking ervan, op voorwaarde dat zijn firma de enige is die stembeurten uitvoert. Op 18 mei stelt Schyven in een brief aan onderpastoor Ghys voor om een abonnement te nemen: het orgel wordt 4 keer per jaar gestemd voor de totaalsom van 80 fr. In dezelfde brief vermeldt Schyven dat hij het St.-Hermesorgel als een van zijn meest geliefde kinderen beschouwt en het daarom met de beste zorgen wil blijven omringen. Dit is wellicht vleierij geweest om het abonnement in de wacht te slepen. Nog in dezelfde brief vraagt Schyven aan onderpastoor Ghys om er bij de kerkraad op aan te dringen de orgellessen die organist Merry op dat ogenblik mag volgen -en die blijkbaar niet zonder positief gevolg zijn- te verlengen.

Over wat het abonnement aangaat, vinden we opnieuw iets terug in een brief van Schyven aan EH Ghys, gedateerd op 10 maart 1897. Deze keer worden de kosten verlaagd van 80 fr. naar 60 fr. voor 4 stembeurten per jaar, maar dan moet men te Ronse zelf instaan voor een calcant ( = iemand die de trappers aan de baasbalg bedient). Schyven schrijft dat hij erop staat dat, alvorens een onderhoudsbeurt begint, de organist alle mankementen meedeelt die zich voorgedaan hebben sinds de laatste stembeurt. Na de stembeurt zal de organist een rapport aangeboden worden, waarop hij zijn bevindingen kwijt kan omtrent het geleverde werk. Dit voorstel wordt aanvaard. Van de eerste levensjaren van het orgel zijn de kwitanties van het abonnementsgeld voor de stembeurten nog voorhanden.

Op 11 september 1901 echter maakt de firma Schyven een devis op om het orgel schoon te maken en helemaal terug op punt te stellen. Nauwelijks te geloven, amper 5 jaar na de bouw van het orgel. De plaatsing van de torenspits door architect Modest De Noyette van Ledeberg (ook architect van de nieuwe Sint-Martinuskerk) zou inderdaad voor heel wat stof en steengruis kunnen hebben gezorgd, zeker langs de klokkenluiken boven het orgel, ware het niet dat de spits al werd geplaatst begin 1896 (zie “L’écho de Ranaix” van 19 januari 1896), dus vóór de bouw van het orgel. Er rijzen eerder vermoedens dat Schyven na het verstrijken van de 5 garantiejaren schrik kreeg het onderhoud van het orgel te verliezen aan zijn Ronsese collega François Joris. Het bestek van Schyven laat op zijn minst vermoeden dat er toch heel wat werk aan de winkel moet zijn geweest om het orgel terug in optimale conditie te krijgen:

(vertaling):
“ 1° Alle pijpwerk zal van zijn plaats gelicht worden, uitgebuild en stofvrij worden gemaakt.
  2° De windladen zullen schoongemaakt en gereviseerd worden.
3° De windvoorziening zal aan een volledig nazicht worden onderworpen en eveneens worden schoongemaakt.
4° De tractuur zal goed gereiningd worden en opnieuw worden afgesteld.
5° De pijpen zullen register na register worden teruggeplaatst en opnieuw worden geïntoneerd in die mate dat alle tonen egaal klinken.
6° Na de uitvoering der werken zal ons de som verschuldigd zijn van 1080 fr., alles inbegrepen, behalve de kosten voor de bedienaar van de trappers aan de blaasbalg, want hij is er nodig gedurende de stembeurt.

In dubbel opgemaakt te Brussel op 11 september 1901. Pierre Schyven en Cie.”

Deze werken werden echter niet uitgevoerd. Vermoedelijk had de kerkfabriek geen oren naar het bestek van Schyven, meer nog, werd Schyven aan de kant gezet. Pas in 1912 zal orgelbouwer Joris het over “la restauration” hebben, samengaand met de opsplitsing van de orgelkast.

6. Schyven valt in ongenade.

Begin december 1902 wordt het orgel voor de vierde keer dat jaar gestemd. Wanneer de stemmer het abonnementsgeld van dat jaar wil ophalen, krijgt hij van de kerkfabriek te horen dat ze geen zakenrelatie meer onderhouden met Schyven. Maar intussen is het orgel dat jaar toch 4 keer gestemd geweest! Schyven schrijft de kerkfabriek aan op 8 december. Hij denkt dat het om een misverstand gaat, temeer daar Norbert Merry, de organist, steeds uiterst tevreden is geweest na elke stembeurt. Schyven verwijst hier naar het rapport, ondertekend door Merry. Amper tien dagen later reageert Schyven op een brief die hij moet gekregen hebben van de kerkfabriek:

(vertaling):
“Ondanks al onze verwoede pogingen, vinden wij geen brief waarin Meneer de Deken ons opzegt als stemmers. Overigens intrigeren én toon én terminologie van uw brief ons in die mate dat wij willen weten wat het motief kan zijn om elke zakenrelatie met ons te verbreken. Wij hebben er geen flauw vermoeden van...”
Wat de reden is geweest, kunnen we niet met zekerheid zeggen. Wellicht heeft de Ronsese orgelbouwer Joris zijn (goedkopere) diensten aangeboden na het verstrijken van de vijf garantiejaren van Schyven en is men om budgettaire redenen hierop ingegaan.

7. Een zwarte bladzijde uit de geschiedenis van het Schyvenorgel.

In het rekwestenboek 1853-1914 (verslagen van de vergaderingen van de kerkfabriek) dat bewaard is in het archief in de dekenij, lezen we op pagina 388 dat in de vergadering van 1 oktober 1911 men officieel kennis neemt van het feit dat de familie Dopchie-Van Pelt een brandglasraam wil laten plaatsen in het maaswerk van het raam op het oksaal, dat totdantoe van gewoon glas was voorzien. De uitvoering van dit brandglasraam, dat de H. Drievuldigheid voorstelt, wordt toevertrouwd aan het huis J. Casier van Gent. Gezien deze onverwachte schenking -die in dank wordt afgenomen- beslissen de leden van de kerkfabriek unaniem dat de ééndelige orgelkast die gedeeltelijk het raam verbergt noodzakelijkerwijze een andere opstelling moet aannemen. Een derde punt uit deze vergadering gaat nog verder: men vraagt zich af of dan niet ineens het neoclassicistische orgelfront en dito oksaal van de hand van de Ronsenaar W. Hambloch (1823) moet wijken voor een neogotisch front en oksaal, wat -naar men toen vond- beter zou gepast hebben bij de stijl van de kerk. Gelukkig geraakt men het over dit punt niet eens en men besluit een vakman te raadplegen.

image 1560Het wordt de Gentse bouwkundige Henri Geirnaert, wonende aan de Ottogracht. Geirnaert is een oude bekende van de kerkfabriek, hij is immers de man die in 1891 de nieuwe neogotische Wittentakkapel opgetrokken heeft. Op 15 december 1911 schrijft hij de kerkfabriek aan. De plannen die hij tekent om orgelfront, oksaal en hoofdportaal in een uniform neogotisch kleed te steken, zijn bewaard in de dekenij. Hij raamt de werken op ruim 11 000 fr., het werk van de orgelbouwer uiteraard niet meegerekend. Omdat deze prijs de pan uitrijst vraagt hij of de kerkfabriek de mogelijkheid wil onderzoeken om én orgelfront én oksaal in zijn neoclassicistisch uitzicht te bewaren. In de vergadering van 19 november 1911 wordt het rapport van Geirnaert naar voor gebracht. Nu nemen ook enkele leden van de vergadering het op voor het bewaren van de neoclassicistische kast en gezien de kosten toch te hoog zouden oplopen, ziet men voorlopig af van het neogotische project. Blijft echter de vereiste dat de orgelkast in twee wordt opgesplist! ( afbeelding hiernaast: toestand van het front van het Schyvenorgel vóór de opsplitsing van 1912, getekend door arch. Geirnaert)

Hieromtrent had men al enige maanden eerder contact opgenomen met orgelbouwer François Joris uit de Jean-Baptist Dekeyserstraat te Ronse. We laten in twee citaten Joris aan het woord, waaruit blijkt dat zijn doorzicht in deze zaak op zijn minst in vraag kan worden gesteld.

Hij schrijft op 12 september 1911 aan de onderpastoor in een allesbehalve foutloos nederlands:

( sic)
“Ik heb de eer U met deze een devis te zenden voor de herstellingen die aan het kerkorgel zoude moeten gedaan worden, het orgel alzoo hersteldt zou dan heel goed zijn. Voor het geen aan gaat het deel in de midel geheel open te maaken voor die venster geheel vrij te hebben, dit ware bijna niet goed mogelijk de secreeten zijn te lang men zou er te veel moeten aan veranderen. En die Kosten zoude zeer hoog koomen. Maar dit deel van voor in de middel zou wel een meter kunne verlaagdt worden zonder het orgel te déplaceren en dit ware bijna geene kosten, een schrijnwerker meubelmaker kan dit doen en het is juist dat deel het welke het deel van de Venster weg neemdt als dit midel deel l.m verlaagdt was zou die venster al schoon voorkomen.

Ontvangt zeer Eerwaerde Heer in tusschen mijne beste groetenissen
Uw dienaar
François Joris”

Op 18 september, dus amper 6 dagen later, schrijft hij:
(sic)
“Après avoir bien étudier l’orgue, j’ai trouvé que cela peut très bien se faire même le placement sera beaucoup plus beau et le son donnera aussi bien. Mais c’est un grand ouvrage, le tout doit être changé. Je compte que cela devra couter 1200 fr. Ce qui faisait donc avec la réstauration 1900 fr. Pour laisser les sommiers à leurs places. On ne pourait diminuer le devant que d’environs 0.60 m. ce qui ne voudrait presque pas la peine, et en le divisant en deux la fenêtre sera tout libre même l’encadrement en dessous...”

De uitindelijke ingreep van Joris komt hierop neer (dit weten we uit een schrijven van 12 december 1896):

Heel het orgel wordt uit mekaar gehaald en schoongemaakt. Het middendeel dat het raam deels verbergt, verdwijnt voorgoed. Alle lederen membranen van de pneumatiek worden vernieuwd. Het pijpwerk krijgt een nieuwe opstelling, gezien de opsplitsing van de orgelkast: van het hoofdwerk (onderste klavier) worden alle pijpen aan de rechterkant van het raam geplaatst. Daarachter voorziet Joris ruimte voor de “boîte expressive”, de van zwelluiken voorziene pijpenkast van het zwelwerk (bovenste klavier). Links van het raam, achter de andere helft van de orgelkast brengt hij het pedaalpijpwerk onder en voegt aan de pedaalregisters een Contrebasse 16’ toe, een open 16-voet, wat een verrijking betekent voor het instrument. Deze toegift weegt echter niet op tegen de calamiteit die de opsplitsing van het orgel is geweest. Daar waar het oorspronkelijke Schyvenorgel een ruime en overzichtelijke opbouw moet hebben gekend qua pijpopstelling met een regelmatige windtoevoer, daar waar het zwelwerk recht in de richting van de kerk moet hebben geklonken, wordt nu één derde van de oorspronkelijke oppervlakte van het orgel prijsgegeven. Het ongerepte pneumatische Schyvenorgel van de Sint-Annakerk te Gent ( midden de jaren '90 gerestaureerd) geeft ons een idee van de oorspronkelijke opbouw van ons orgel. Ten koste van een goede klankuitstraling en een rustige en voldoende windtoevoer, vooral van het zwelwerk, stouwt Joris de ruim 1700 pijpen ( de kleinste 9 cm, de grootste 4,8m) quasi op mekaar. Efficiënt onderhoud wordt op dat moment onmogelijk. Dat dergelijke ingreep mogelijk is geweest in een waardevol Schyvenorgel van om en bij de 16 jaar oud, blijft tot op vandaag een zeer betreurenswaardig feit. Het neoklassieke front van het vroegere middendeel werd nooit teruggevonden.

8. Orgelbouwer Stevens uit Duffel redt het Sint-Hermesorgel van de ondergang

image 1563Over de verdere toestand van het orgel tasten we in het duister tot in 1933. Men gaat afzien van de diensten van Joris. Orgelbouwer Jos. Stevens uit Duffel wordt aangezocht het instrument aan te pakken. Hij herbouwt het orgel volledig, mét behoud van de kasten en van het Schyvenpijpwerk, maar keert niét terug naar de oorspronkelijke situatie, de ééndelige orgelkast. De intussen eerder dubieus gebleken pneumatische tractuur wordt nochtans weer aangewend. Een reden hiervoor kan zijn dat dit de goedkoopste oplossing was middenin de crisisjaren '30. Omtrent meer gedetaileerde gegevens betreffende deze ingreep werd de huidige zaakvoerder van de firma Stevens, dhr. Romy Casteels, geraadpleegd. Ondanks zijn belofte om de zaak na te pluizen in de werklijsten van de firma, hoorden we tot op vandaag niets.

Op zondag 28 januari 1934 om 14.30u. vindt dan voor de tweede keer een inspeling plaats van het Sint-Hermesorgel. Na de zegening van het instrument door vicaris-generaal Ch. Poppe neemt Flor Peeters, eminent kathedraalorganist van Mechelen en op dat ogenblik leraar orgel aan het Gentse Muziekconservatorium en aan het Lemmensinstituut te Mechelen, plaats achter de speeltafel. Ook van deze inspeling werd het programma teruggevonden:
* Toccata en fuga in d - J.S. Bach
* Largo - A. Corelli
* Noël - Ch. Dacquin
* Prélude à 5 voix - J.N. Lemmens
* Canon - R. Schumann
* Pièce Héroïque - C. Franck
* Berceuse - L. Vierne
* Scherzo - J.M. Plum
* Abdijvrede - F. Peeters
* Ve symphonie - Ch. M. Widor

Op het programma lezen we een korte werklijst van de firma Stevens van die tijd:

* Mechelen, Sint-Romboutskathedraal: 3 klavieren, 62 spelen
* Brussel, Paleis voor Schone Kunsten: 3 klavieren, 74 spelen
* Antwerpen Sint-Willibrordus: 3 klavieren, 40 spelen
* Aalst Sint-Maarten: 3 klavieren, 34 spelen
* Merelbeke Sint-Pietersbanden: 3 klavieren, 28 spelen
...
Voortaan zal het orgel van Sint-Hermes decennialang onderhouden worden door Stevens. Tijdens de oorlogsjaren '40-'45 bouwt dezelfde firma een tweede instrument in onze stad: een orgel voor de nieuwe kapel van Sancta Maria. In 1954 breidt Stevens met succes het historische 18e eeuwse orgel van Nukerke uit, wat zodoende een gedroomd instrument wordt voor de jonge conservatoriumstudent Stanislas Deriemaeker.

Niet alleen het orgel àchter het front, maar ook de orgelkast van W. Hambloch wordt goed onderhouden, wat blijkt uit een aantal facturen van R. Waeterloos-Labieze uit de Oswald Ponettestraat 76-78. Deze firma boent het hout, verzilvert de loze frontpijpen en vergult de labia.

9. Het Sint-Hermesorgel anno 2006

Tot op vandaag is er sinds 1934 niets meer gewijzigd aan de toestand van het orgel. Wel is het onderhoud van het instrument -wat grotendeels neerkomt op stemmen en vervangen van lekke membranen- doorheen de jaren overgegaan van de ene orgelbouwer op de andere. In de jaren '70 is het Georges Delmotte uit Doornik ( die begin de '60-er jaren het orgel van de Paters Minderbroeders op de barièrre-de-fer bouwde) die zijn diensten aanbiedt. In de loop der jaren '80 wordt Jean-Pierre Draps uit Kortenberg gevraagd en sinds eind 1992 is het orgelbouwer ir. Paul Andriessen uit Menen ( oud huis Anneessens) die tweemaal per jaar het orgel onder handen neemt.

Sinds 1992 wordt er jaarlijks een concert georganiseerd op het orgel. Zo hoorden we in december 1992 onze streekgenoot Stanislas Deriemaeker, tot in 2002 organist-titularis van de Antwerpse kathedraal. In mei 1994 verzorgde Paul Hoste, organist aan de Gentse Sint-Jozefskerk het concert en in mei 1995 concerteerde Ignace Michiels, organist-titularis van de Brugse Sint-Salvatorskathedraal. In het kader van de 100-ste verjaring van het instrument werd in 1996 een orgel- en koorconcert gehouden. Eens te meer werd Stanislas Deriemaeker bereid bevonden om samen met het gemengd Sint-Gregoriuskoor en de Schola Gregoriana van Sint-Hermes deze gebeurtenis met de nodige luister te omkransen, zodat dit eeuwfeest niet onopgemerkt voorbij kon gaan. In de jaren die volgden speelden achtereenvolgens Tom Hoornaert ( Tielt), Frank Heye ( Destelbergen) en Peter Ledaine ( Oostende). Een hoogtepunt was het concert door James Edward Goettsche, titulair organist van de Sint-Pietersbasiliek in Rome-Vaticaanstad op 31 maart 2006. Ruim 500 toehoorders woonden dit evenement bij. Jaar na jaar kan het sinds 1994 opgerichte ' Orgelcomité Sint-Hermes' rekenen op de belangstelling van heel wat mensen. Keer op keer wordt de opbrengst van de concerten integraal besteed aan de DRINGENDE instandhoudingswerken, in afwachting van een definitieve restauratie. Heel de pneumatische tractuur van Stevens ( 70 jaar oud!) verkeert in grote vermoeidheid ( ontregelde pneumatiek zorgt voor hangende tonen, lekke membranen kunnen niet meer instaan voor de aanspraak der pijpen...). Quasi wekelijkse opvolging en verhelping van de problemen is hier geboden. Bovendien wordt het pijpwerk meedogenloos geteisterd door het stof der jaren. De recente werken in de kerk in het kader van de voorstudie van de restauratie van het kerkinterieur én het uitgraven van de archeologische site in 2000 deden hier nog een schepje bovenop. De houten pijpen worden in hoge mate aangevreten door houtworm. Zo is het register Contrebasse 16' al reddeloos verloren. Ondanks het feit dat de situatie bij wijlen uitzichtloos is, wordt getracht het orgel in al zijn facetten bespeelbaar te houden. Het is immers zowel bij het publiek als bij de organist die het bespeelt een erg geliefd instrument. Nog vóór het orgel zijn laatste toon slaakt, moet worden gedacht aan de algehele restauratie ervan. Deze houdt in dat het orgel weer in één ruime kast ondergebracht wordt, mét reconstructie van het oorspronkelijke front naar de nog voorhanden zijnde schets van architect Henri Geirnaert. Ook moet een efficiënte mechanische tractuur alle problemen van de dubieuze pneumatische tractuur voorgoed uit de wereld helpen.
In het licht van een mogelijke aanvraag tot het bekomen van een onderhoudspremie vanwege de kerkfabriek aan de Vlaamse Gemeenschap, kwam op 28 november 2003 dhr. Patrick Roose van de dienst ' Monumenten en Landschappen' ter plaatse. Dhr. Roose was aangenaam verrast een quasi intact Schyvenorgel aan te treffen ( toch qua dispositie). Hij beloofde de aanvraag voor een onderhoudspremie gunstig te adviseren, dit vanwege de buitengewone artistieke waarde van het orgel. De werken die o.a. met deze onderhoudspremie zullen bekostigd worden behelzen geenszins de restauratie. Het gaat eerder om een groot reinigings- en instandhoudingswerk. Begin 2004 werden 3 adviseurs aangeschreven door de kerkfabriek. Eén van hen ( ondergetekende) werd weerhouden en zal in de eerstvolgende weken een gedétailleerd bestek opmaken van de uit te voeren werken. Hiermee zal de kerkfabriek 3 orgelbouwers om prijs vragen. De werken zouden normaliter eind 2004 moeten zijn uitgevoerd.

Maar als de dag ooit komt waarop de grote en definitieve restauratiewerken aan het monumentale Schyvenorgel van Sint-Hermes tot een goed einde zullen zijn gebracht, zal Ronse terecht fier kunnen zijn op zijn orgel, want het zal -net als zijn bovenbuur, de prachtig gerenoveerde Ronsese beiaard- een eersterangsinstrument zijn geworden!

Dominique WYBRAEKE
organist-koorleider van Sint-Hermes
ontwerper-adviseur van de uit te voeren werken



Principebeslissing instandhoudingswerken Schyvenorgel
De kerkfabriek schreef 3 adviseurs-ontwerpers aan m.b.t. uit te voeren werken aan het monumentale Pierre Schyvenorgel in onze kerk, meerbepaald
- Peter Ledaine uit Oostende
- Dominique Wybraeke uit Maarkedal
- Paul De Maeyer uit Gent
Rekening houdend met de resultaten van de raadpleging werd op 27 januari 2004 Dhr. Dominique Wybraeke aangesteld tot ontwerper overeenkomstig zijn offerte en dit om reden van de meest gunstige rangschikking. Een schriftelijke overeenkomst werd afgesloten.
Hogervermelde zal een instandhoudingsdossier opmaken. Daarin zullen volgende werken gevat zijn:
- uitnemen van alle pijpwerk van het reciet
- schoonmaak van de windlade van het reciet, gevolgd door houtwormbestrijding
- schoonmaak en restauratie van het pijpwerk met extra aandacht voor de tongwerken
- vervangen van lekke membranen
- afregelen van de windlade
- terugplaatsen, egaliseren en stemmen van het pijpwerk
Met dit bestek zal de kerkfabriek vervolgens overgaan tot een beperkte offerteaanvraag bij drie orgelbouwers. Uitvoering der werken: najaar 2004




Sint Hermes > Orgel & Beiaard > Home
  | Afdrukken |Zoeken |SiteMap | Mail ons





Laatste wijzigingen: 01/11/07 @ 00:11 CET | 19.4 msec
© Copyright 2003-2018 Parochie-ronse.be
Powered by SiteEdit © 2002-2018