Home | kalender
 

Verenigingen

Davidsfonds

- Aktiviteiten

- A. Cambier over Cypriaan de Rore

- Jesse Owens over Cypriaan de Rore
 Biografie
 Werken
 Belang en betekenis
 Bronnen



- Archief
****website in opbouw***

Voorwoord door DF Ronse

Op dinsdag 21 maart 2006, ter gelegenheid van de Nacht van de Geschiedenis, had ons bestuurslid Raf Verniest het over onze stadsgenoot Cypriaan De Rore.
Als Davidsfonds zijn we al jaren in stilte bezig om deze beroemde componist en geboren Ronsenaar te rehabiliteren in Ronse. Er zijn momenteel een hoop ideeën aanwezig. Stilaan willen wij die concretiseren. De voorbije Nacht van de Geschiedenis paste in dit concept.
Een interview met Fred Brouwers op KLARA versterkte onze aspiratie om De Rore 'naar Ronse terug te brengen'.

De hiernavolgende artikelenreeks die in het tijdschrift Periodiek gestart werd is een bijdrage over hoe de herkomst van De Rore ontrafeld werd. De tekst is van de hand van Albert Cambier. Het is zijn opzoekingswerk dat er toe geleid heeft dat wij met zekerheid kunnen zeggen dat Cypriaan De Rore een stadsgenoot is.

Van de gelegenheid willen we gebruik maken om hem, Albert Cambier, te danken voor de immense bijdrage die hij geleverd heeft aan de geschiedschrijving van onze dierbare stad.


image 5307

HOE DE HERKOMST VAN CYPRIAAN DE RORE ONTRAFELD WERD.
(Ronse 1515/16, Parma 1565)



Inleiding

Onder de vele luisterrijke namen die tot op vandaag de glorie van de Nederlandse polyfonie uit de 15e - 16e eeuw hooghouden, is ook die van Cypriaan De Rore te vernoemen.
Maar, zoals bij een aantal van zijn land-, tijd- en kunstgenoten het geval is, bleven of blijven hele perioden uit zijn kort, maar ongetwijfeld goed gevuld leven, waaronder zijn geboorteplaats, zijn opleiding en zijn begincarrière tot op heden in het duister. Veel is opgehelderd, veel nog niet.

De oorsprong van een legende

Reeds in de 19e eeuw had de Oudenaardse muziekhistoricus Edmond van der Straeten een aantal originele gegevens gepubliceerd (1), die de magere en deels op loutere veronderstelling berustende fragmentarische biografie door Dr. Caffi (2) aanvulden of verbeterden.
Zijn vertrouwd zijn met de demografische gegevens uit zijn geboortestreek had hem trouwens de naam De Rore als een in de driehoek Gent-Kortrijk-Ronse inheems patroniem laten herkennen. Hij had zelfs de onder Alva verbannen Ronsische beeldenstormer Lodewijk De Rore vermeld, zonder te durven denken dat het precies dezelfde man kon zijn die op de graf- ofgedenksteen van de polyfonist Cypriaan in de kathedraal van Parma vermeld staat als diens neef en enige erfgenaam.
Naderhand kon U. Rossi nog een aantal nieuwe biografische elementen aanbrengen (3).

Toch waren deze beide musicologen niet de eerste vorsers die zich over de gestalte, het leven en de kunst van maestro Cipriano gebogen hadden.
Reeds lang voor Burney op het einde van de 18e eeuw (4) een samenvatting gaf van wat men toen over de Vlaamse madrigalist meende te weten, had een Antwerpse polygraaf, Frans Sweerts of Sweertius, in 1628, dus nauwelijk 65 jaar na de dood van de grootmeester, in een soort encyclopedie van alles wat de Nederlanden aan min of meer bekende namen hadden voortgebracht (5), ook de figuur van de in Noord-Italië zo bejubelde Vlaming even belicht.

En daar was het dat voor de eerste keer een biografisch detail opdook dat een lang en taai bestaan zou kennen en nog altijd voortleeft, namelijk dat De Rore uit Machelen of Mechelen afkomstig was.
Het loont o.i. wel de moeite om Sweerts' talrijke encyclopedische brouwsels nader te bekijken om iets van zijn werkmethode te begrijpen.
De man was een blijkbaar welstellend Antwerps handelaar uit de bloeitijd van de havenstad, voor de sluiting van de Schelde in 1648. Een tijdgenoot van Rubens dus.
Het beste van zijn tijd stak hij in het verzamelen van gegevens over alle mogelijke onderwerpen, die hij in een aantal lijvige boeken publiceerde en waarvan hij de documentatie links en rechts bijeenhaalde zonder de nauwkeurigheid ervan zelf te kunnen nagaan.
Meer bepaald voor wat de geboorteplaats van zijn figuren betreft, moest hij zich dikwijls tevreden stellen met een benaderende lokalisatie. Wanneer hij de plaats precies kende, liet hij niet na er steeds 'oriundus' of 'natus' aan toe te voegen; in andere gevallen vermeldde hij de landstreek, de heerlijkheid, de kloosterorde of het bisdom waaruit de man afkomstig was.
Zo werd dit voor Adriaan Willaert 'Brugensis' en voor Cypriaan De Rore 'Machliniensis'. Deze vage en dubbelzinnige attributie zou meer dan drie en een halve eeuw meegaan en buiten alle redelijkheid door anderen verder geëxpliciteerd worden met de veronderstelde leerscholen en -meesters, waarbij nog eens gratis Antwerpen werd bijgesleurd.
Een typisch voorbeeld van dit soort geschiedschrijving wordt geleverd in een artikel uit 1909 van de Mechelse stadsarchivaris Van Aerde (6), waarin de man boudweg stelt dat hij de naam 'De Rore' nooit in enig Mechels document heeft ontmoet, maar dat -vermits iedereen het zegt- aan de Mechelse oorsprong van De Rore niet kan getwijfeld worden.

(1) E. Van Der Straeten, A la recherche du berceau de Cyprien De Rore, in: Guide musical, XL, 1894, nr. 37, pp. 669-sqq.
ID., La musique aux Pays-Bas avant le XIXe siècle, VI, Brussel, 1882, anastatische herdruk, New York, 1969, pp. 125-173
(2) Fr. Caffi, Storia della musica nella già capella ducale di San Marco in Venezia dal 1318 al 1797, I, Veneti¨, 1854, pp. 124-126
(3) U. Rossi, Sei lettere di Cipriano De Rore, con cenni biografici, Reggio nell'Emilia, 1888
(4) Ch. Burney, A general History of Music, III, 1776-1789, pp.319-320
(5) Fr. Sweertius, Ahtenae belgicae, sive nomenclator Inferioris Germaniae scriptorum, qui disciplinas philosophicas, theologicas, juridicas, medicas, et musicas illustrarunt, Antwerpen, 1625, p. 201
(6) R. Van Aerde, Notice sur la vie et les oeuvres de Cyprien De Rore, célèbre musicien malinois du XVIe ciècle, in: Bulletin du Cercle archéoligique, litéraire et artistique de Malines, XIX, 1909, pp. 93-156


Een meer kritische benadering in de 20e eeuw.

Tijdens de 20e eeuw nam het onderzoek rond De Rores's leven en activiteit een sterke uitbreiding door toedoen van een aantal musicologen die er in slaagden, hetzij nieuwe betrouwbare gegevens te verzamelen, hetzij onbetrouwbare beweringen te relativeren, te corrigeren of tegen te spreken.
In eigen land kunnen we niet voorbij aan de figuur van Walter Weyler, die reeds voor 1970, met het oog op een doctoraatsverhandeling, een intensief bronnenonderzoek deed in het buitenland.
Zijn voortijdige dood verhinderde hem het 'opus magnum' waarvan hij droomde tot een goed einde te brengen, maar een aantal aspecten van zijn onderzoek kon toch het licht zien (7) en bracht heel wat nieuwe gegevens aan, ofschoon zijn interpretatie van meerdere madrigaalteksten later onhoudbaar bleef.
Dit laatstgenoemde tekort -zo belangrijk voor bepaalde details uit de levensloop van de 16e eeuwse kunstenaar- werd op waarlijk schrandere wijze ingevuld door Dr. Bernhard Meier, hoogleraar te Tübingen, tegelijk met de publicatie van een monumentale kritische uitgave van het volledig oeuvre van de Vlaamse musicus (8). Dit grootse werk wacht op zijn voltooiing in een exhaustieve monografie over de kunstenaar.
In de Verenigde Staten vond Cypriaan De Rore een ijverig bewonderaar in de persoon van de hoogleraar Dr. Alvin Johnson. Ofschoon deze laatste -althans op zuiver biografisch gebied- geen opzienbarende ontdekkingen deed, vormde hij toch met beide zoëven genoemde musicologen een hecht driespan om de al te gedurfde en doorgaans onbewezen veronderstellingen van de oudere biografen in een gezonde twijfel te trekken (9).
Zonder het voorafgaandelijk opruimingswerk van deze opmerkelijke specialisten zouden we het nooit aangedurfd hebben met ons eigen onderzoek te beginnen. Bovendien had de laatstgenoemde het geluk de eerste stappen van een veelbelovende jonge kracht te begeleiden, die we weldra in levende lijve zouden mogen ontmoeten.

(7) W. Weyler, Cipriano De Rore, omnium musicorum princeps, in: Jonge Muziek, 1965, pp. 1-7, 56-66, 99-108
ID, Dokumenten betreffende de muziekkapel aan het hof te Ferrara, in: Bulletin de l'Institut historique belge de Rome, XX, 1939, pp. 187-sqq (Vlaams Jaarboek voor muziekgeschiedenis, I, 1939, pp. 81-sqq)
ID, De teksten van De Rores madrigalen, in: Vlaams Jaarboek voor muziekgeschiedenis, IV, 1942, pp. 165-175
(8) B. Meier, 'Res Asiae et Ponti'; Poklonitveno delo Cypriano de Roreja ('Rex Asiae et Ponti', A Work of Homage by Cyprian De Rore), in: Muzikoloski Zbornik, VI, 1970, pp. 5-11
ID, Staatskompositionen von Cyprian De Rore, in: Tijdschrift van de Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis, XXI/2, 1969, pp.81-118
ID, (ed.) Cypriani De Rore opera omnia (Corpus mensurabilis musicae, XIV), 8 dln., Rome, 1959-1977
ID, Cipriano De Rore, Life and Works (Musicological Studies and Documents), onuitgegeven
(9) A. Johnson, The Liturgical Music of Cipriano De Rore, Diss. Univ. Yale, 1954, University microfilms, 1967.
ID, The Massses of Cyprian De Rore, in: Journal of the American Musicological Society, VI, 1953, pp. 227-sqq.
ID, art. Cipriano De Rore, in meerdere muziekencyclopedieën


Ons eigen onderzoek over de familie De Rore te Ronse

Reeds meer dan 40 jaar geleden waren we, bij het napluizen van het Ronsische kapittel- en stadsarchief, getroffen geworden door het opvallend veelvuldig voorkomen in de late 15e en vroege 16e eeuw, van de naam Cypriaan De Rore, de Roere, de Rodere of ’s Roders. Deze zeldzame namencombinatie wekte toen al het vermoeden op dat al die mensen, zoniet identiek met, dan toch tenminste de dichte familieleden moesten zijn van de kunstenaar die echter tijdens die periode ofwel nog niet ofwel niet meer leefde, ofwel in het buitenland verbleef. Opvallend bij deze familietak (het ging over 4 à 5 personen met die naam) was de nauwe verwantschap met een even groot aantal Celestinussen De Rore of De Rodere. Naar alle waarschijnlijkheid ging het om een speciale devotietrek jegens de 3 secundaire Ronsische stads- en kerkpatronen Cornelius, Cyprianus en Celestinus.

Deze tak van de toen al wijdvertakte familie De Ro(de)re te Ronse had het ver gebracht. Reeds in de 15e eeuw speelde een Cypriaan De Rore een vooraanstaande rol in de Ronsische lakenhandel. Door de nauwe feodale banden die van 1280 tot 1402 tussen Ronse en Namen bestaan hadden, was deze laatstgenoemde stad met haar beroemde jaarmarkt een belangrijke afzetmarkt geworden voor het Ronsische laken en daar was het dan ook dat de eerste ons bekende Cyprianus De Rore opduikt als eigenaar van twee “kramen". Hij werd er opgevolgd door zijn zoon Herman (of liever Hermes) die zich zowel economisch als muzikaal te Namen inburgerde. Nog in het midden van de 16e eeuw is de toenmalige kapelmeester van de Sint-Albinuscollegiaal een verwant van De Rore’s, bij wie onze madrigalist in 1558 en 1559 heel hartelijk op een muziekfestijn werd ontvangen en hij de pueri chorales van Sint-Aubin dan ook royaal tracteert (10).

Intussen bloeide deze tak ook te Ronse welig op. Naast hun handelsactiviteiten oefenden ze ook die van bankier uit, dit niet alleen voor hun particuliere stadsgenoten maar ook voor het Sint-Hermeskapittel. Ze bezaten huurhuizen, konden bij gerechtszaken steunen op de meest invloedrijke stadsgenoten, waren de geattitreerde wasleveranciers van de collegiaal en de man die de oudste broer van de componist bleek te zijn. Celestinus, kon reeds als 12-jarige knaap een optie nemen op een der drukst bezochte pelgrimsherbergen van de stad. Hij had het geluk als echtgenote een uitzonderlijke vrouw, Hermien Bauwens te hebben, die na zijn vroege dood in 1558 (hij was pas 48 jaar geworden) het familiebedrijf bleef runnen. Ze moest echter aanzien dat haar twee kinderen Lodewijk en Johanna zeer actief in de Protestantse culturele revolutie betrokken waren en door Alva verbannen en van hun bezittingen beroofd werden.

Toch was die familietak zeer klerikaal ingesteld. Terwijl we tevergeefs de naam De Rore in de lijst der stadsmagistraten zoeken (ofschoon ze er minstens sedert de 14e eeuw woonden), vinden we ze talrijk onder de leden (kanunniken, kapelaans en vicarii) van het kapittel.
Tot tweemaal toe gaan ze huwelijksbanden aan met de eveneens aloude Ronsische familie Payen of Payens, die mogelijk verwant is met de muzikale familie van die naam te Zinnik.
Jammer genoeg heeft het toeval ons de kans niet gelaten om de jongere Cypriaan als leerling aan de kapittelschool te Ronse zelf terug te vinden. De kapittelakten tonen immers een hiaat tussen 1524 en 1534, dit is nu net van zijn 8e tot zijn 18e levensjaar. Daardoor werd het ons minder gemakkelijk apodictisch te bewijzen dat de madrigalist inderdaad een lid was van die Ronsische familie.
Gelukkig bleven andere wegen open!

Het bevreemdde ons namelijk dat de componist, die sedert 1547 in dienst was van de familie d'Este, hertogen van Ferrara, nooit naar zijn vaderland was teruggekeerd.
image 5310(Ercole II d'Este, hertog van Ferrara, Modena en Reggio van 1534 tot 1559)

En plots, in maart 1558, trekt hij, Cypriaan De Rore, naar de Nederlanden.
Uit de plaatselijke archiefbescheiden weten we dat een paar weken voordien de man die we voor zijn oudste broer houden, Celestinus II, overleden was. Blijkbaar had de weduwe, zijn schoonzus dus, de bijstand van Cypriaan nodig. Op 24 september van dit jaar schrijft de componist vanuit Antwerpen (waar de zaakgelastigde van de Ferrarese hertog voor de diplomatieke post zorgde) dat hij de zaken thuis zo verward had aangetroffen dat hij vijf maanden werk had gehad om ze weer in orde te brengen. Blijkbaar was de vader van de componist dus ook al overleden.
Maar opnieuw ontneemt het toeval ons de mogelijkheid om dit ter plekke te controleren. Reden?
Rond 1920 werd te Ronse het register ontvreemd, waarin de chirografen geplakt zaten van 1548 tot 1574. Maar, aangezien de weduwe van Celestinus ook nog minderjarige kinderen had, kwam althans één betwisting tijdens de maanden van Cypriaan's verblijf in de Nederlanden voor de Ronsische wezenkamer, in wier registers we inderdaad naast de naam van Celestinus' weduwe ook deze van ene Cypriaan De Rore aantreffen, die haar bijstaat in een betwisting betreffende het niet betalen van een sinds lang verschuldigde huursom door een jonge losbol, zijnde de zoon van de toenmalige meier.

Midden december 1558 was Cypriaan terug in Ferrara. Maar op verrassende wijze trekt hij nauwelijks zes maanden later weer naar het Noorden. Weyler had beweerd dat de musicus aan hertog Ercole d'Este de toelating had gevraagd om zijn ambt te Ferrara definitief op te geven, maar het bewijs van die bewering is niet te leveren. Integendeel, intussen was te Ronse een ramp gebeurd die Cypriaan niet onberoerd kon laten.
Op 19 juli 1559 was de hele stad uitgebrand. Nauwelijks had Cypriaan te Ferrara daarvan nieuws ontvangen (kort na zijn laatste wedde op 23 juli) of hij ondernam opnieuw de verre reis naar de Nederlanden. Hoe hij de zaken daar aantrof weten we uit een brief die De Rore (opnieuw vanuit Antwerpen via de zaakgelastigde van de hertog, Camillo Bersanino) op 12 november aan de zoon van de inmiddels overleden hertog schreef: 'Na mijn vertrek uit Ferrara heb ik nu mijn familie helemaal geruïneerd (dit is tussen de puinhopen) aangetroffen'.
Financieel geruïneerd waren ze allerminst, vermits zijn schoonzus belangrijke sommen aan het kapittel kon voorschieten voor de restauratie van de collegiaal.
De nieuwe hertog van Ferrara, Alfonso II d'Este, nam Cypriaan niet opnieuw in dienst. Het was dan tijdens die werkloze maanden dat de componist naar München trok, waar aartshertog Albrecht V steeds een enthousiast bewonderaar was geweest van De Rore's composities en derhalve door zijn hofschilder Hans Mielich een ongemeen prachtig versierd manuscript van uitzonderlijke afmetingen had laten schilderen met daarin uitsluitend composities van De Rore. De Duitse miniaturist nam de gelegenheid te baat om het verbluffend realistisch portret van de toen 43 à 44 jarige musicus op de frontpagina uit te voeren.
Maar aangezien Orlandus Lassus er de hofkapel leidde -sinds 1556 als zanger en als kapelmeester sinds 1563- was er daar geen betrekking open voor de werkloze Cypriaan.

(10) Naar schriftelijke en door tekstcopieën gestaafde mededelingen door Dhr. Paul Moret uit Namen

Cypriaan De Rore en Margaretha van Parma

In het jaar echter dat Ronse uitbrandde en Cypriaan zijn betrekking te Ferrara verloor, aanvaardde Margaretha van Parma, de bastaarddochter van keizer Karel V en Johanna Van der Gheynst het ambt van regentes der Nederlanden in naam van haar halfbroer Filips II.
Haar moeder was de dochter van een tapijtwever uit Nukerke, op amper zes kilometer van Ronse; ze was toen in dienst van Jacoba van Luxemburg, echtgenote van Karel van Lalaing, baron van Schorisse, gouverneur en baljuw van Oudenaarde, en op het ogenblik dat de 21-jarige Karel V er van 22 oktober tot 11 december verbleef in verband met het beleg van Doornik.
Uit de ontmoeting van de keizer en de weversdochter werd midden 1522 Margaretha te Oudenaarde geboren. Hoewel het wichtje vrijwel onmiddellijk van haar moeder werd weggenomen en toevertrouwd aan de zorgen van André de Douvrin, keldermeester van de keizer, kon ze bij bepaalde gelegenheden haar moeder ontmoeten, die intussen gehuwd was met een meester aan het rekenhof te Brussel.
Zo was ze bijvoorbeeld in 1531, op 9-jarige leeftijd dus, meter van haar eigen halfzusje, het wettige dochtertje van Johanna Van der Gheynst. Na haar eerste huwelijk in 1536 met de veel oudere Alexander de Medicis, eveneens een bastaard, die echter minder dan een jaar later vermoord werd, huwde ze in 1538 een tweede keer onder dwang met Ottavio Farnese, hertog van Parma.
Toen ze in 1559 tot gouvernante van de Nederlanden werd benoemd, zal ze wel benieuwd geweest zijn naar haar geboortestreek, die ze nauwelijks gezien had en waarvan ze zich helemaal niets meer herinnerde.
Riep de sollicitaite van Cypriaan De Rore bij haar iets wakker?
Het feit dat een Ronsenaar, Hermes Van Winghene, vanaf 1537 tot aan zijn dood in 1573, lid was van de privé-raad van de regentessen en dat een andere stadsgenoot, Karel Van der Beken, keizerlijk secretaris was, kan een rol gespeeld hebben in het uiteindelijk succes van Cypriaans sollicitatie bij Margaretha. Hij kreeg een benoeming als kapelmeetser te Parma, bij haar echtgenoot, waar ze zich op het einde van haar regentaat hoopte terug te trekken.
Cypriaan dankte haar uitbundig met een speciaal voor de gelegenheid geschreven madrigaal 'Alma real', waarvan de tekst verwijst naar de waarschijnlijk feestelijke uitvoering ervan op 'dertienavond' of 'Beffana' in 1561.
Daarin vergelijkt de componist en tekstdichter zich met de Drie Wijzen die trouw de ster (= Margaretha) volgen, met een palmboom die openbloeit als de maan (= Margaretha) ten hemel stijgt, met een zonnebloem die zich steeds wendt naar de zon (= Margaretha), om te besluiten dat hij niet alleen door haar uitverkiezing nu, maar door zijn hele levenslot steeds van haar gunst heeft mogen genieten.
Het is verleidelijk om daar uit te gaan besluiten dat er reeds eerder contacten zijn geweest tussen Cypriaan en Margaretha en dat in alle geval vóór zijn indiensttreding te Ferrara in 1547.
Wij weten zeker dat De Rore tussen 1527 en 1532 geen lid is geweest van de muziekkapel van de regentes te Mechelen-Brussel. Vanaf 1533 tot 1536 verbleef Margaretha op het Palazzo Pizzofalcone te Napels onder de bescherming van de nieuwe landvoogd Karel van Lannoy. Na haar tweede huwelijk woonde ze vooral te Rome. Telkens had ze een muziekkapel. Nauwkeurig onderzoek van het Farnesiaans archief dat te Napels bewaard wordt (11) zou over een eventueel contact met De Rore aldaar misschien opheldering kunnen brengen.

(11) zie L.P. Gachard, Les archives farnésiennes à Naples, in: Bulletin de la Commission royale d'Histoire, 3e reeks, XI.

Het familiewapen van de De Rore's en de figuur van Lodewijk De Rore
image 5312
De lezer kan elders kennismaken met De Rore's vertrek vanuit Brussel naar Parma op 27 januari 1561, zijn korte carrière aldaar tot aan de dood van Adriaan Willaert te Venetië, wiens opvolger hij aan de San Marco werd in 1563, zijn terugkeer naar Parma één jaar nadien, waar hij op 9 juli 1565 voor de laatste keer uitbetaald werd. Uit de correspondentie tussen Tommasso Macchiavelli, secretaris van de hertog van Parma te Brussel, met de Italiaanse thuishaven, weten we dat Cypriaan De Rore aldaar tussen 11 en 20 september 1565 moet overleden zijn.
Ofschoon uit een verder te bespreken document blijkt dat De Rore op dat ogenblik op de thans verdwenen parochie van Sint-Barnabas woonde, weet Frans Sweerts reeds in 1628 te vertellen dat meester Cypriaan begraven ligt in de kathedraal van die stad. Thans bevindt zich de gedenkplaat vooraan in de westwand van de eerste zuiderzijkapel van de dom. Zij vertoont geen sporen van sleet, waaruit zou blijken dat ze ooit als grafsteen in de vloer zou hebben gediend. Op dit ogenblik bestaat de kathedraalvloer uit zeer rijke 18e eeuwse veelkleurige marmerintarsiëndecoratie. Lagen er voorheen ook grafstenen zoals zoals in de andere kerken? De huidige steen schijnt wel 16e eeuws te zijn.
Maar laten we eerst de gedenksteen zelf bekijken.
Het onderste derde deel ervan wordt ingenomen door een sterk vergrote kopie van de zegelringafdruk, met daarop overduidelijk twee gekruiste zeisen.
Deze zijn echter geen doodssymbolen, maar het persoonlijke - en het familiewapen van de overledene.
image 5311
Wij treffen namelijk dit wapen onveranderd aan als een graffiti op een zuil in de Sint-Hermescrypte te Ronse, vergezeld van het opschrift RORE en op een aantal handtekens van de familie De Rore te Ronse uit 1567. De nauwkeurige overeenkomst van dit familiemerk te Ronse en te Parma neemt elke twijfel weg over de verwantschap tussen die naamgenoten.
Het wapen is sprekend: het verwijst naar de betekenis van de naam De Ro(de)re = de rooier = hij die onkruid afmaait.

Maar er is meer. Op de gedenksteen staat, behalve de naam, de functie en de leeftijd van de overledene, ook de mededeling dat de steen geplaatst werd door ene LUDOVIC. FRAT.FIL. ET HAER. MOESTISS.
Hetgeen (sinds Sweerts en Fétis) altijd gelezen werd als 'ludovicus, frater, filius (of filia) et haeredes moestissimi' (= zijn broer Lodewijk, zijn kind en zijn diepbedroefde erfgenamen), met al de logische bezwaren vandien, namelijk de aanwezigheid van een niet bij name en slechts op de tweede plaats genoemde zoon of dochter, daar waar de kunstenaar blijkbaar nooit gehuwd is geweest en misschien zelfs tot de geestelijke stand behoorde.
Ofschoon niet onmogelijk bezorgde deze lezing ons toch heel wat hoofdbrekens.

Nieuw bloed in de De Rorevorsing

Het was op dat ogenblik dat, dank zij de bemiddeling van Dr. A. Johnson en Dr. B. Meier een nieuwe De Rorevorser in ons blikveld opdook,
image 5308 Dr. Jesse-Ann Owens, thans hoogleraar in Massachusets, die haar sporen verdiend heeft met het maken van een doctoraal proefschrift over het reeds vernoemde meesterlijke manuscript met madrigalen van De Rore te München. Dank zij een beurs was ze in staat een paar zomers in Italië door te brengen, waar ze enkele hoogst interessante ontdekkingen over Cypriaan De Rore heeft gedaan (12) en ook enkel ontgoochelingen opliep.
Zo was het haar onder andere niet gelukt in de begrafenisregisters van de Parmezaanse kathedraal de begrafenisrechten en -kosten terug te vinden, noch het testament van de meester.
Maar één van haar ontdekkingen bestond wel in een betere lezing van de hierboven geciteerde regels.
Zij leest namelijk 'Ludovicus, fratris filius et haeres moestissimus' (= Lodewijk, zijn broers zoon en diepbedroefde erfgenaam).
image 5313
Nu hadden wij aan de hand van onze verkeerde lezing (namelijk Lodewijk = de broer van Cypriaan) een stamboom opgesteld der Ronsische De Rore's en daarin dan de componist ingeschoven als de broer van Lodewijk en aangezien deze laatste de zoon was van Celestinus en Hermien Bauwens hadden we de componist tot zoon gemaakt van Celestinus.
Toen nu Dr. Owens in Italië het laatste huurcontract van de madrigalist ontdekte stond daarin inderdaad 'Cypriaan, zoon van wijlen Celestinus De Rore'.
Ge hoort onze triomfkreet tot hier!
Maar doordat Dr. Owens' nieuwe lezing van de gedenksteen van Lodewijk een neef van de componist had gemaakt leekt het alsof onze stamboom omver zou storten.
Tot onze opluchting gebeurde dit niet. De madrigalist Cypriaan bleek de zoon van Celestinus I en van Barbara Van Coppenolle, terwijl Lodewijk de zoon was van Cypriaans oudste broer Celestinus II en van Hermien Bauwens.
Hiermee was de hele geschiedenis ontrafeld en de Ronsische afstamming van de grote madrigalist definitief bewezen en dit dank zij de ontdekkingen van Dr. Owens.

(12) Jessie-Ann Owens, An Illuminated Manuscript of Motets vy Cipriano De Rore (München, Bayrerische Staatsbibliotheek, Mus. Ms. B), Diss. Princeton Univ. 1979, 2 dln., 1978
ID., Music and Meaning in Cipriano De Rore's setting of 'Donec gratus eram tibi', in: Studies in the history of music, I: Music and language, New York, 1983, pp. 95-117.
ID., Cipriano De Rore a Parma (1560-1565), Nuovi documenti, in Rivista italiana di musicologia, XI/1, 1976, pp. 3-26

Cypriaans vroegste jaren in Italië

Maar toch blijft dat grote hiaat in Cypriaans leven gapen tussen zijn fantomatische jeugd te Ronse tot de eerste publicatie (op 26-27 jarige leeftijd) van enkele van zijn madrigalen te Venetië in 1542 en tot zijn indiensttreding bij de d'Estes te Ferrara, minstens sedert 6 mei 1546 (hij was toen 30-31 jaar oud).
Reeds eerder was een madrigaal bekend dat de auteur had opgedragen aan kardinaal Ippolito II d'Este, aartsbisschop van Milaan en broer van Hercules II, hertog van Ferrara, bij wie de kunstenaar tenslotte in 1546 in dienst mocht treden.
In dat madrigaal schildert de sollicitant zijn eigen ('Cypriam gentem') af als een door het noodlot en de armoede achtervolgd artiest.
Diezelfde indruk krijgen we ook door de publicatie van enkele brieven die in die vroegste jaren (1540?-1546) uitgewisseld werden tussen de genoemde liefhebbers van De Rore's composities (13), namelijk Ruberto Strozzi, Palazzo da Fano en Bartolomeo Cavalcanti. Uit die correspondentie blijkt dat de componist in ieder geval vóór zijn indiensttreding en ook nog in de eerste maanden van zijn betrekking te Ferrara in geldnood verkeerde en zijn composities stuksgewijs aan welstellende verzameliaars verkocht omdat hij het geld ervan dringend nodig had.
Toch ontbrak het Cypriaan in deze vroege jaren niet aan bijval. Dit wordt ons duidelijk uit een sonnettenbundel van de hand van een Bresciaans geestelijke, Hieronimo Fenaruolo, waarin drie van de acht gedichten aan de muziek van Cypriaan De Rore, leerling van Adriaan Willaert te Venetië, gewijd zijn.
Deze muziek wordt er in beschreven als liefelijk en helemaal niet zwaarwichtig, maar tegelijk toch waardig in tegenstelling tot het al te lichte genre dat toen in de lagunestad opgang maakte (14). De sonettenbundel van H. Fenaruolo werd in 1546 te Padua opgenomen in een te Padua gedrukte bloemlezing van de poëzie die tijdens de laatste jaren in Noordoost Italië in de smaak viel.
Het zou de moeite lonen om na te gaan of onder de andere in 1546 te Padua gepubliceerde gedichten niet nog andere stukken op onze musicus betrekking hadden.

(13) R.J. Agee, Ruberto Strozzi and the erly Madrigal, in: Journal of the American Musicological Society, XXXVI, 1983, pp. 1-17
(14) Nuove Rime di diversi eccelenti Auttori, li quali si leggono sparse, hora Raccolte e Scelte con Cura et Abbondantia, Padua, 1546. De 8 bewuste sonnetten werden uitgegeven door: R. Giazotto, Harmonici concenti in aere Veneto, Rome, 1954

Composities voor zijn familie of achterban

We kunnen eindigen met de vraag of onder de bewaarde composities van Cypriaan De Rore er geen zijn die zijn band met zijn vaderstad, het kapittel en de school, waar hij waarschijnlijk zijn eerste opleiding kreeg, en vooral met zijn familie bevetigen.
Reeds Dr. Owens had de aandacht getrokken op een nooit in druk verschenen stuk dat volgens Luzzasco Luzzaschi, Cypriaans' meest geliefde leerling, opgetekend staat in een notiteboekje (15), dat Cypriaan nog zou geschreven hebben tijdens zijn jeugd in Vlaanderen.
Het betreft een Mariahymne 'Sub tuum praesidium'. Op ongewone wijze is het verset 'libera nos semper, Virgo gloriosa et benedicta' (maar bevrijd ons steeds,o roemrijke en gezegende maagd) vervangen door de woorden ' libera me Francisce (bvrijd mij Franciscus).
Welnu, uit het stamboomonderzoek blijkt dat er in de tak die ons aanbelangt inderdaad een Franciscus voorkomt als opvolger van Celestinus' weduwe als waard van de pelgrimsherberg 'Sint-Hermes', maar we ontmoeten hem verder in geen enkel document, zodat we met de vraag blijven waarom Cypriaan zo nadrukkelijk een compositie aan hem heeft gewijd.
We menen echter dat we evenmin een toendertijd gepubliceerd latijns motet mogen uitpikken dat, niettegenstaande zijn apart bijbels onderwerp, in werkelijkheid voor de huldiging can Cyprianus' oudste broer Celestinus kan gecomponeerd zijn.
Het motet 'Ecce odor filii mei' bevat namelijk de zegewens die de oude Isaac uitsprak over zijn ondergekropen jongste zoon Jacob. Daarin komt de zin voor 'Det tibi Deus de rore coeli' (moge God u laten delen in de dauw des hemels).
We menen dat de al te doorzichtige gelijkenis met de naam van de leden van de familie De Rore die Coelestinus heetten, reeds lang door alle leden van het kapittel en van de kapittelschool moet opgevallen zijn en mogelijk het onderwerp van grapjes vormde.
We zitten namelijk in het volle humanisme. Dat verder in dezelfde tekst nog gezegd wordt 'Wees heerser over uw broeders en dat de zonen van uw moeder zich voor u neerbuigen' maakt het stuk uitermate geschikt om opgedragen te worden aan de oudste broer van de componist en uitgevoerd te worden ter gelegenheid van de opbolging van Celestinus II aan het hoofd van het familiebedrijf.
Het feit dat dit motet nooit in druk verscheen kan alleen maar de indruk versterken dat het evenals 'Sub tuum praesidium' gemaakt werd voor 'intern' gebruik.

(15) Thans bewaard in de Biblioteca Ambrosiana te Rome

Besluit

We kunnen besluiten dat het veelvuldig voorkomen van de naam Cypriaan De Rore in een Ronsische familie in de 15e - 16e eeuw, de dubbele terugkeer van de kunstenaar uit Italië op ogenblikken dat te Ronse dramatische gebeurtenissen de familie in erge zorgen brachten, welke vrij trouw in de correspondentie van de meester werden weergegeven, de overeenkomst van onze bevindingen over de naam van Cypriaans vader en de bevestiging ervan in een huurcontract van de kunstenaar in Parma., de dubbele verwantschap van de familie De Rore met het geslacht Payen, het rijke muzikale milieu aan onze collegiaal in die tijd en tenslotte de verbluffende gelijkenis van het familiemerk van de kunstenaar met dat van de ronsische De Rores, de ronsische afstamming van de grote componist boven elke twijfel verheffen.
Bovendien blijkt hier ook duidelijk dat de naam De Rore geen verlatijnsing is, maar een authentieke Vlaamse naam die nog steeds veelvuldig in de streek voorkomt.
Dat is ook de reden waarom we het lidwoord met een hoofdletter spellen en de naam tweemaal met een doffe e en niet als déé roréé uitspreken.
Wij beperken ons tot deze biografische aspecten. Het musicologisch onderzoek rond die man die zo'n machtige invloed uitoefende op de de ontwikkeling van de Europee muziek laten we aan bevoegden over.

(16) Wij bevelen vooral aan:
A. Einstein, 'Cipriano De Rore and the Madrigal', in: Bulletin of the American Musicological Society, VI, 1942, pp. 17-sqq.
ID., The golden Age of the Italian Madrigal, New York, 1942
ID., The Italian Madrigal, 3 dln. Princeton-Oxford, 1949

Het bovenstaand artikel is een synthese van onze volgende artikels:

A.Cambier, De grootste roem van de stad Ronse, de componist Cypriaan De Ro(de)re, 'omnium musicorum princeps', in: Annalen van de Geschied- en Oudheidkundige kring van Ronse, XXX, 1981, pp. 5-56 (met meerdere vergissingen).
ID., Meer gegevens over de Ronsische componist Cypriaan De Rore, ibidem, XXXI, 1982, pp. 91-95.
ID., De definitieve bevestiging van Cypriaan De Rore's Ronsische afkomst uit archiefstukken te Parma en te Ronse. Een nieuwe en definitieve oplossing in verband met zijn genealogie, ibidem, XXXII, 1983, pp. 221-249.
ID., Onderzoekingen over Cypriaan De Rore's vroegste verblijf in Italië, ibidem, XXXIII, 1984, pp. 35-46.
ID., De relaties van de Ronsische lakenhandelaars- en muzikantenfamilie De Rore met de stad Namen, in voorbereiding.
ID., Meerdere artikels in: De Zuidvlaamse Kultuurkrant, nrs. 32, 33, 34, 91, 92 en 93.


Albert Cambier

op de website geplaatst: 4 december 2006
  | Afdrukken |Zoeken |SiteMap | Mail ons





Laatste wijzigingen: 05/12/06 @ 02:21 CET | 17.7 msec
© Copyright 2003-2019 Parochie-ronse.be
Powered by SiteEdit © 2002-2019